De man op de brug

De Eclipse lokte me naar een paradijselijk plekje, een echte tuin van Eden. Zonder bril kon ik de zon echter alleen maar de rug toe keren en samenvallen met mijn eigen schaduw.

Een jongen sloeg appels uit de boom met een lange stok en een meisje at er eentje op. Ach jullie zalige verblijf in dit paradijs is toch maar een tijdelijke illusie, dacht ik, steeds somberder wordend naarmate de maan verder voor de zon schoof. Ik wendde me van hen af, alsof het kinderlijk geluk dat ze afstraalden even schadelijk was voor mijn netvlies als het licht van de zon.

Toen het hoogtepunt naderde, projecteerde ik m’n dromen en verlangens op het vergeelde, verstilde landschap achter me. Met een koele bries zweefden m’n gedachten over iets wat leek op avondschemering.

Omdat de wereld alweer op me wachtte, fietste ik meteen naar huis, wat bedrukt door deze halfslachtige belevenis die ik bovendien met niemand had gedeeld.

Maar plots stond daar een mannetje, als een wachter op de brug. Waar kwam hij plots vandaan? “Wil je ook eens kijken?”, riep hij onverwacht. “Het is bijna voorbij!” “Graag”, zei ik, en hij gaf me zijn eclipse bril. En zo heb ik dan toch die laatste hap van de zonsverduistering met eigen ogen aanschouwd.

Dankbaar trapte ik verder, in het besef dat het paradijs niet een plek is waar je komt en gaat, maar die iedereen meedraagt in zijn hart.

Reacties

Geef een reactie

Je e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *