Dit is Dikkie. Hij lacht je toe, met de liefste grijns die hij maar kan bedenken. Da’s alleen maar om je een goed gevoel te geven. Want hij zou graag verder kijken naar wat hem fascineert. Hoe zijn schildpad een stukje tomaat binnenschrokt, hap voor hap. En dan weer omdraait en haar weg vervolgt.
Zo gaat dat ook bij Dikkie zelf, als je hem wat lekkers geeft. Een banaan of zo. Dan vertelt hij je alles wat hij gezien heeft en wat hij daarbij voelde. Nog voor iemand kan zeggen dat het bijna etenstijd is, haalt hij z’n schouders op, draait zich om en holt weer de tuin in. Op zoek naar het volgende wereldwonder.
Jaren, vele jaren later, kijk je naar een grijns op een foto en denk je: is dat Dikkie? Wat is er met hem gebeurd?
Het leven is als een parcours waar je een robotje in loslaat. De ene robot struikelt al na de start, de andere, een super flexibele gelukzak, rijdt na z’n halve leven nog steeds vrolijk rond. Omdat het eenvoudig een andere richting nam bij een wegversperring of zo. Maar soms gaat er iets stuk aan een robot, een vijs of een wieltje, en dan volstaat een andere richting niet meer. Neen, dan hobbelt het robotje verder. Als dat het enige is wat het nog kan: hobbelen.
Dat gevoel kreeg ik als ik naar Dikkie keek, meer dan z’n halve leven later: Deze Dikkie draait zich niet meer om voor wat hem biologeert, hij blijft staan, licht gebogen, met een nog steeds allerliefste grijns. Omdat dat is wat men van hem verlangt. Omdat hij denkt dat dat is wat men van hem verlangt. Dikkie gaat niet meer op zoek naar het volgende wereldwonder. Hij is kapot, draait rond in cirkeltjes, blijft staan voor de foto, met een allerliefste grijns die zegt: dit is wie ik was. Maar hij is niet meer.